Tijdslijn

U bent hier: Home / Tijdslijn

Tijdslijn

Tijdslijn

Het ontstaan en ontwikkeling van het Harense landschap is grofweg op te delen in een vijftal perioden. In elke periode is een basis gelegd of verandering doorgevoerd met grote gevolgen  voor het landschap zoals we dat nu nog herkennen.

IJstijd Saalien

In de voorlaatste ijstijd, genaamd het Saalien, heeft het Harense landschap haar vorm gekregen. Zo’n 200.000 jaar voor Christus hebben uitlopers van de ijskap het land van Noord-Europa en ook dat van Noord- en midden Nederland bedekt. Daarmee is grond opgestuwd en is de Hondsrug ontstaan. In deze periode zijn verschillende lagen fijngemalen en zware klei achter gelaten. Deze zogenaamde keileemlagen kennen een grillige structuur en hebben als eigenschap dat ze slecht waterdoorlagend zijn. Wanneer het ijs aan het einde van de eerste ijstijd smelt, worden beekdalen tot wel 50 meter diep gevormd.

IJstijd Weichselein

De laatste ijstijd, het Weichselien, vond plaats van 90.000 voor Christus tot 8.000 voor Christus. Het ijs bereikt Nederland niet, maar toch heeft deze ijstijd veel invloed op het landschap dat nu aanwezig is. Dit is namelijk de periode waarin de beekdalen zich verder hebben gevormd. Tevens zijn landschapselementen als dobben, pingo-ruïnes en stuifduinen ontstaan. Door de zeer lage temperatuur is plantengroei in deze periode niet mogelijk. De wind heeft vrij spel om een dikke laag dekzand af te zetten op de Hondsrug. Pingo-ruïnes hebben zich gevormd doordat water in de grond is bevroren. Daarbij is de bovengrond naar boven gedrukt. Bij het opwarmen aan het einde van het Weichselien zakt de opgedrukte aarde naar beneden en resteert er een rond ven omgeven door een lage grondwal. Appelbergen en Besloten Venen zijn andere nog zichtbare elementen die in deze periode zijn ontstaan.

Het Holoceen

De periode die in 8.000 voor Christus startte, het Holoceen, is nu nog gaande. In deze periode is een meer warm en vochtig klimaat ontstaan waarin de meanderende lopen van de Drentsche Aa en de Hunze zijn ontstaan. In deze beekdalen en in afgesloten laagtes op de Hondsrug heeft zich veen kunnen vormen. Onder invloed van de zee is, via het Reitdiepdal, in de beekdalen zeeklei afgezet. Bij hoge waterstanden bereikte de zee gebieden als t Hemrik (net ten noorden van landgoed Huis te Glimmen) en het huidige Zuidlaardermeer.

Van eerste bewoning tot ontginning van het land

Al ruim voor onze jaartelling vond er bewoning plaats in Haren. De eerste bewoners van het gebied was het trechter-beker-volk. Zij bouwen de hunebedden en grafheuvels. De eerste permanente bewoners hebben zich aan het begin van de Middeleeuwen gevestigd. Gaandeweg ontstonden verschillende buurtschappen. Essen vormt een oud kloostercomplex. Op de zandruggen ontwikkelen zich Glimmen, Haren en Onnen. Noordlaren ontstaat op de overgang van de Hondsrug naar de Hunzelaagte. In deze periode ontstaat het esdorpenlandschap. De hogere gronden dienden voor de akkerbouw, de flanken als weiland en de natste delen van het beekdal als hooiland. Om voldoende producten te kunnen bouwen op de arme zandgronden werd mest uit de potstal vermengd met heideplaggen en over de bouwlanden verspreid. Doordat deze werkwijze eeuwenlang werd gehanteerd ontstond op de es een meters dikke pakket, genaamd een eerddek. De essen werden steeds hoger en kregen daarmee hun karakteristiek gebolde ligging.  Het vee werd voornamelijk in de lagere delen geweid. Daar dienden slootjes als veekering. Op de flanken werden houtwallen aangelegd om het vee te kunnen keren. Om dezelfde redenen werden ook scheerhagen, meestal van meidoorn, toegepast.

De laatste twee eeuwen

In de 18e en 19e eeuw ontstaan borgcomplexen en buitenplaatsen als Huis Warmolts, Huis te Hemmen, Emdaborgh, Meerlust, Lusthorst, Mickelhorst en het Huis te Glimmen.

De uitvinding van kunstmest rond 1870 is het begin van een nieuw tijdperk. De ‘woeste gronden’ (heidevelden) worden begin 20e eeuw ontgonnen en omgezet in bouwland en grasland. Op een deel van de jonge ontginningen wordt bos aangeplant. Een voorbeeld hiervan is het Noordlaarderbos.

In dezelfde eeuw wordt het ‘buiten wonen’ onder rijke families uit Groningen populair.  De landhuizen aan de Rijksstraatweg herinneren hier aan. In de jaren dertig komt de villa-cultuur in opkomst. Toen zijn met name in Haren en in Glimmen aan de oude dorpskern de lommerrijke villa-achtige uitbreidingen toegevoegd. In de tijd na de tweede wereldoorlog neemt door de schaalvergroting in de landbouw de diversiteit in landschappen af. Veel houtwallen verdwijnen. Vandaag de dag is er weer veel aandacht voor het verleden en worden landschapstypen weer in ere hersteld of zichtbaar gemaakt.